Learning Dutch grammar online
part 3
site map
The
essentials of Dutch grammar and sentence
structure can be seen here
:
These concise Dutch grammar
focusses on the most essential, it shows you our grammar.
Discover it's regularities and difference.
Don't bother about learning
grammar rules. You did not learn to speak your mother tongue
that way either. |
contact Richard
or call +32 60 456 497
|
|
 |
|
|
Learning Dutch grammar online, the essentials
an overview: |
Online concise Dutch grammar part 1,
articles,
pronouns, conjugation, prepositions, basic Dutch sentence
structure,
Online concise Dutch grammar part 2, negation, past
tense, auxiliary verbs,
adjectives, ...
Online concise Dutch grammar part 3,
splitable verbs, 'er', imperfect past, replacing subject and
object by pronouns, ...
Dutch sentence structure
(syntax),
|
|
|
|
|
To help you become aware
of some important differences in sentence structure compared to
English, I translated most sentences more literally in 'odd'
English. |
|
|
 |
What's that preposition at
the end of some sentences? Learning about
Dutch splitable verbs.
|
| Learn to conjugate
splitable verbs in present tense? |
|
Learn how participle of splitable verbs
are made. |
|
Opstaan:
Je staat om 7
uur op.
Aankleden:
Om 5 over 7 kleedt hij
zich aan.
Openmaken:
Maak je het
raam even open?
Voorstellen:
We stellen je
aan onze collega voor.
Uitleggen:
Dat is niet zo moeilijk, ik
leg je dat na
het eten uit.
Meegaan:Jan
en Rita gaan
met ons mee.
Oversteken:
Aan de verkeerslichten
steek je de straat
over.
Opschrijven:
Jan schrijft
alles wat er gebeurt in zijn dagboek
op.
Uitgaan:
Om 22u gaat het
licht automatisch uit.
Terugkomen:
Mijn dochter komt
om 2 uur van haar gitaarles
terug. |
to get up
to dress
('on')
to ('make')
open
to introduce
to explain
to go along
to cross
to write down
to go out
to come back |
Opstaan:
Ik ben om 7 uur
opgestaan.
Aankleden:
Hij heeft zich
om 5 over 7 aangekleed.
Openmaken:
Heb je het raam
even opengemaakt?
Voorstellen:
Ik heb je aan
mijn collega voorgesteld.
Uitleggen:
Dat was niet zo moeilijk, papa
heeft me dat na
het eten uitgelegd.
Meegaan:
Jan en Rita zijn
met ons meegegaan.
Oversteken:
Aan de verkeerslichten
ben ik de straat
overgestoken.
Opschrijven:
Jan heeft alles
wat er gebeurt in zijn dagboek
opgeschreven.
Uitgaan.
Om 22u zijn de lichten automatisch
uitgegaan.
Terugkomen:
Mijn dochter is om 2 uur van haar gitaarles
teruggekomen. |
|
|
| |
To
stress or not to stress? Learning the use of 'er' instead of 'daar'.
|
|
In de koelkast is geen
bier. Daar is geen bier.
Er is geen bier.
Op tafel is kaas.
Daar is kaas.
Er is kaas.
In dat huis is maar een
kamer en het heeft geen tuin.
Daar is maar een kamer en
daar is geen tuin.
Er is maar één kamer en
er is geen tuin.
Op die kamer is een douche.
Daar, op die kamer, is een
douche. Er is een douche op
de kamer. Op de kamer is er
een douche.
Zus werkt
bij de Europese Commissie.
Zij werkt daar al 20 jaar.
Zij werkt er al 20 jaar.
Ik ben
naar Wallonië verhuisd. Ik
woon daar heel graag. Ik
woon er heel graag.
Op de kamer zijn een douche
en een wc. Daar zijn een
douche en een WC. Er zijn
een douche en een WC.
In België hebben ze wel 5
soorten Trappistbier. Daar
hebben ze wel 5 soorten Trappistbier.
Er zijn wel 5 soorten
Trappist.
In Hotel Greenpark zijn
veel gasten deze week. Daar
zijn veel gasten deze week. Er
zijn veel hotelgasten deze week.
Op het congres zijn 3
conferenties. Daar zijn 3
conferenties. Er zijn 3
conferenties. |
 |
|
| |
 |
When do you use
'wie'? When do
you use 'waar' and 'daar'? Learning to use the
right pronoun.
Wie woont in Brugge?
Jan woont in Brugge.
Wie
werkt bij de Commissie?
Zus werkt daar.
Waar woont Jan? Jan woont
in Brugge.
Waar werkt zus? Zus werkt
bij de Europese Commissie.
Waar zijn die 3
conferenties? Op het congres.
|
Op
wie wacht Karel?
Karel wacht op zijn
broer en zus.
Van wie houdt
Jan veel? Jan houdt veel
van zijn vrouw.
Over wie praat
je vaak? Ik praat vaak
over mijn opa.
Naar wie
luistert ze graag? Zij luistert graag
naar mensen.
Met wie spelen
ze vaak? Onze kinderen spelen vaak
met de buurjongen.
Aan wie geef je
die cheque? Aan mijn
petekind. |
Waarop wacht
Karel? Karel wacht op
de bus. Ho,
daarop.
Waarvan houdt
Jan erg veel? Jan houdt heel erg
van kaas.
Zo, daarvan.
Waarover praat
je vaak? Ik praat vaak
over het klimaat.
Daarover?
Waarnaar
luistert ze graag? Zij luistert graag
naar de radio.
Daarnaar.
Waarmee spelen
ze vaak? Met hun
computer, daarmee spelen ze het
liefst.
Waaraan besteed
je dat geld? Aan een
leuke kampeertocht.
Daaraan. |
|
|
|
|
Learning to talk about
past events in Dutch using past imperfect.
Werken =
werk* + en >
werk +
te(n) Schaatsen =
schaats* + en
> schaats +
te(n)
;
Wachten = wacht*
+ en > wacht
+ te(n).
* the last letter
of the stem
is
a sharp
consonant cfr:
't k o f s ch i
p
Wandelen =
wandel +en > wandel
+
de(n)
('l'
doesn't sounds sharp)
|
Jan
werkte
hard en ook zijn broers en
zussen
werkten
hard.
Vroeger
schaatste
ik vaak.
Schaatsten
jullie ook vaak?
(vaak = often)
Beloven: Mijn
beste vriendin
beloofde me een weekendje
Praag. Reizen: Daar reisde
ik graag naartoe.
(reizen = to
travel)
We
wandelden tijdens de
vakantie veel in de bergen.
Mama
wandelde niet altijd
mee.
Maken: Gisteren
maakte
mijn man het eten. Duren:
Het koken
duurde lang maar
het
smaakte.
(duren = to last
/ smaken = to taste)
Wachten:
We
wachtten in de regen op de bus.
Wachtte
je ook in de regen? |
|
|
 |
|
|
Learn past imperfect
of some frequent Dutch irregular verbs:
|
Zijn:
Ik
was moe dus ben ik bij oma blijven slapen.
We
waren erg laat thuis.
Hebben:
Ik
had honger maar er was niets meer in de koelkast.
Jullie
hadden ook dorst.
Drinken:
Ik
dronk graag wijn. Zij
dronken liever bier.
Eten:
Piet
at snel een sandwich. Zij
aten spaghetti.
Kopen: ’s Zaterdags
kocht
papa de weekendkrant. We
kochten voor de hele
week fruit.
Schrijven:
Lea
schreef niet graag lange brieven.
Zij
schreven wel graag.
Zien:
Mijn broer
zag de auto aankomen maar
mijn neven
zagen die auto niet.
Nemen:
Tante Els
nam nog wat snoep mee.
Daarna namen
we samen de bus.
Brengen:
Papa
bracht ons een stripverhaal.
Wij
brachten onze boeken naar de bibliotheek..
Moeten:
Je
moest snel lopen, we
moesten nog ver lopen en
het was al laat.
Kunnen:
Jan
kon niet vrij nemen maar
Isabel en Erik konden
die dag wel vakantie nemen.
Gaan:
Ging
jij ook naar het Sint-Janscollege? Neen, maar
daar gingen
mijn broers wel naartoe.
Doen:
Jij
deed alle boeken in kartonnen dozen.
Zij
deden de kinderen naar school.
Weten:
Ik
wist helemaal niet waar ze over praatten,
mijn zussen
wisten dat wel. |
Worden: Zondag
werd
opa 80 jaar oud. Het regende hard en
we
werden allemaal nat.
Zullen:
Jan
zou komen en Erik en Isabel
zouden thuis blijven, maar
het werd net omgekeerd.
Komen:
Hij
kwam zo goed als nooit te laat.
Zijn collega’s
kwamen ook altijd op tijd.
Zitten:
Mijn zoon
zat op de stoel
mijn dochter en haar vriend
zaten op de bank.
Kijken:
Jij
keek enkel ’s maandags TV maar
je kinderen
keken alle dagen TV.
Mogen: Tijdens de schoolvakantie
mocht
Jantje later opblijven maar
dat mochten
de tweelingen nog niet.
Laten: Na de storm
liet
mijn buur de schade opnemen.
Anderen
lieten dat ook doen.
Denken: Gelukkig
dacht
je eraan het raam te sluiten.
We
dachten dat de winkel open was.
Krijgen: Op moederdag
kreeg
mama bloemen. Bijna alle
mama's kregen die
dag bloemen.
Vinden:
Ik
vond mijn verloren sleutels snel maar
zij
vonden hun sleutels helemaal niet meer.
Vragen:
Pieter
vroeg de gids om meer
uitleg. De toeristen
vroegen ons de weg.
Lezen:
Jantje
las in zijn stripverhaal.
Zijn ouders
lazen elk een roman.
Blijven:
Het
bleef de hele dag te warm dus
bleven
we binnen. |
|
Learning to use Perfect or
imperfect past in Dutch.
|
Haar man is elke dag thuis gekomen.
Hij heeft de hond geaaid en hij heeft
zijn vrouw gekust.
Hij heeft zich in de zetel gezet en heeft
een biertje en chips gevraagd.
Na 2 jaar zijn ze gescheiden. |
 |
Haar man kwam elke dag thuis.
Hij aaide de hond en kuste zijn vrouw.
Hij zette zich in de zetel en vroeg een
biertje en chips.
Na 2 jaar scheidden ze. |
|
| |
 |
'continuing tense’ in
Dutch ?
Wat ben je
aan het
doen? Ik ben met mijn
vriendin aan het
telefoneren.
Wat is oma
aan het
doen? Ze is een taart
aan het
bakken.
Wat zijn de tweelingen
aan het
doen? Ze zijn televisie
aan het
kijken?
Wat zijn we
aan het
doen? We zijn hun probleem
aan het
oplossen.
Wat zijn jullie
aan het
doen? We zijn met onze
Duitse vrienden aan het
chatten.
Wat zijn de kinderen
aan het
doen? Ze zijn een
zandkasteel aan het
bouwen. |
 |
|
| |
By what pronoun to
replace the subject ?
Jan is een man,
hij gaat naar zijn werk.
Klara is een vrouw,
zij gaat naar haar werk.
Jan en Klara zijn meer dan
een persoon, ze gaan naar
hun werk.
De koffiekan staat op tafel,
hij staat op tafel.
Het kopje staat op tafel,
het staat op tafel.
De lepeltjes
liggen in de lade,
ze liggen in de lade.
|
 |
By what pronoun to
replace the
object
?
Ik zoek mijn
man, heb je
hem gezien?
Ik zoek
vrouw, heb je
haar gezien?
Ik zoek mijn zusjes,
heb je ze gezien?
Ik zoek mijn zusjes, heb je
hen gezien?
Ik zoek
de koffiekan, heb je
hem gezien?
k zoek
het lepeltje, heb je
het gezien?
Ik zoek de kopjes,
weet je waar ze staan?
|
|
| |
Coordinate sentences : where
are subject
and verb?
|
De zon schijnt. Het regent. >>
De zon schijnt
en (and)
het regent.
Jan speelt op zijn computer. Mieke leest
een boek. >> Jan speelt op zijn computer
en
(and)
Mieke leest een boek.
Ik hou van vis. Ik eet rund. >>
Ik hou van vis maar
(but)
ik eet rund.
We nemen het vliegtuig. We gaan met de
trein. >> We nemen het vliegtuig
of
(or)
we gaan met de trein.
Wil je een biertje?
Neem je een glas wijn? >>
Wil je een biertje of
(or)
neem
je een glas wijn?
|
(literally) The
sun shines. It rains.
John plays on his
computer. Mary reads a book.
I love fish. I
eat beef.
We take the
plane. We go by train.
(lit.) Want you a
beer? Take you a glass wine? |
Subordinate clauses, what
happens to subject and verb?
|
|
Ik neem een paraplu.
Het regent. >> Ik neem
een paraplu
want
(because)
het
regent.
Mijn papa was je oom. Jij
bent mijn nicht. >> Mijn
papa was je oom
dus
(so)
jij bent mijn
nicht.
|
>> Ik neem een paraplu
mee
omdat
(because)
het al de hele dag regent.
>>
Als
(if)
mijn
papa je oom
was, ben jij mijn nicht.
|
|
 |
|
More
subordinate clauses and their subordinating conjunctions, what
happens to subject and verb?
|
|
Ik neem vandaag liever de auto
omdat
(because)
ze bij de
sporrwegen
staken.
Ik kom pas later naar huis
omdat
(because)
ik dit verslag nog
wil afwerken.
De weerman zegt
dat
(that)
het weer morgen nat wordt.
We bezoeken oma overmorgen,
als
(if/when)
het weer droger
wordt.
Ze hebben al veel familie en vrienden op
bezoek gehad
sinds
(since)
ze in Budapest wonen.
Hij blijft het leven positief zien
hoewel
(although)
hij net een
groot probleem
achter de rug heeft.
Ik werk wat sneller
zodat (so)
ik vroeg met mijn werk klaar
ben. |
Indirect
questions:
Ik vraag me af
of (if)
het weer deze week wel beter
wordt.
Ik zou graag weten
wanneer
(when)
je volgende zomer vakantie
wil nemen.
Karel vraagt hoe
(how)
je dat computerprobleem snel
kan oplossen.
Mama zoekt
waar
(where)
ze haar boek
is vergeten.
Onze zoon vraagt
wie (who)
de broer van zijn grootvader
was.
Op vakantie wilde ze graag weten
hoeveel
(how much)
die juwelen in Italië
goedkoper waren.
De baas vraagt
hoe vaak
(how often)
je volgende week later
kan blijven. |
|
|
|
|
|
|
learn about articles,
pronouns, conjugation, prepositions,
|
learn correct negation, past tense, auxiliary
verbs, adjectives, ..
|
splitable verbs, 'er', imperfect
past, subject object pronouns, ...
|
Normal Dutch sentence structure
and subordinate clause
|
|
|
|
legal info
responsible editor: Richard van Egdom, Celestijnenlaan 7, 3001
Heverlee
other websites:
On www.apprendre-le-neerlandais.com
your French-speaking boss, colleague, friends and partners can read
all about our full immersion Dutch courses in French.
Your German
friends, partners, bosses or colleagues can read all they want to
know about our intensive private Dutch courses in German on
www.sprachkursniederlaendisch.de
All information
in Dutch on these most efficient full immersion private Dutch
classes with Richard van Egdom are on
www.leernederlands.com
sitemap |
|
These most efficient Dutch courses, according to
The Wall Street Journal one of the best language courses are
organized by Vriendenkring Amitie Europeenne a non profit
organization in franchise of DialoguE sprl. We use the money earned
with these most efficient full immersion Dutch courses to finance
our goals: inter-European contact and understanding.
Our small is beautiful non profit organization
also has websites on family holidays, trail description, hiking,
mountain retreat and sabbatical leave in the Pyrenees
Mountains
www.pyrenees-pireneos.org
(mostly in English). Same information but with a full 2-weeks trail
detailed description of a Pyrenean High Level (HRP) Trail, family
holidays and mountain retreat in French is on
www.pyrenees.be
Information in Dutch on European encounter family
holidays in the Pyrenees can be found on
www.pyrenees-pyreneeen.be
|
|
| |