Heb ik de trein gemist? Neen, ik heb de trein niet gemist. (train) (to mis, past perfect)
Heb jij het bier gedronken? Neen ik heb het bier niet gedronken. (to drink, past perfect)
Zijn dat je broers? Neen, dat zijn mijn broers niet. (brothers)
Is dat Karin? Neen, Dat is Karin niet.
Woon jij in de stad? Neen ik woon niet in de stad, ik woon buiten. (city) (countryside)
Ga je naar de bioscoop? Neen ik ga niet naar de bioscoop. (cinema)
Het is tijd, kom uit je bad! Neen, ik kom niet uit mijn bad! (time) (bath)
Dat is niet mooi van je! (nice)
Zoiets gebeurt niet dikwijls. (to happen) (often)
6 uur is niet vroeg. (early)
Heb ik het gras gemaaid? Neen, ik heb het gras niet gemaaid. (grass) (to mow, past perfect)
Heeft zij de kranten gelezen? Neen, ze heeft de kranten niet gelezen.
Is Karin Jan zijn zus? Neen, Karin is Jan zijn zus niet, Lydie is zijn zus. (sister)
Is Jan onze nieuwe inspecteur? Neen, Jan is onze nieuwe inspecteur niet. (new inspector)
Zit Jan op de bus? Neen, Jan zit niet op de bus. (to sit) (bus)
Gaan jullie met vakantie? Neen, wij gaan niet met vakantie. (to go) (holidays)
Speelt haar broer met Jan? Neen, haar broer wil niet met Jan spelen. (to play)
Die resultaten zien er niet goed uit. (to look like) (good)
Het weer is niet slecht. (weather) (bad)
Hij vindt paella niet lekker. (to find) (tasty)
|