Learning Dutch grammar online part 2

This online Dutch grammar shows you our grammar in examples. Seeing the structure of Dutch sentences makes learning it more easy. That's why you won't find rules here. Learning grammar rules to learn Dutch (or any other languages) is contra productive. Your brain is functioning by creative non satisfaction. You can trust it. That's the way it grasps and learns. That's the way you learned your mother tongue. Learning by full immersion Dutch uses that natural way, it's the fastest way .


Learning Dutch grammar through examples part 2:

- Negation: how do I deny in Dutch? When do I use "geen" and when do I use "niet"?

- Past events : learn how to talk about the past (perfect) in Dutch.

- Generally the adjective ends with e 'e', but why sometimes it doesn't?

- Modal verbs. When do I end a sentence with an infinitive ?

- Some more about basic Dutch syntax : What's 2nd?

To help you become aware of some important differences in sentence structure compared to English, I translated most sentences more literally in 'odd' English. 


Learning Dutch in 1 week? That's possible!

Dutch grammar by examples : learning to deny using 'geen' ?

Heb je een bedrijfswagen? Neen, ik heb geen bedrijfswagen.  Hebben jullie bedrijfswagens? Nee, wij hebben geen bedrijfswagens.  (company car)

Heb je een woning gevonden? Neen, ik heb geen woning gevonden.   (house)

Hebt u een Duitse krant? Neen, wij hebben geen Duitse krant. Hebt u Duitse kranten? Neen, wij hebben geen Duitse kranten.   (newspapers)

Hebt u appelen? Neen, we hebben geen appelen.   (apples)

Is er bier? Neen, er is geen bier.  (beer)

Hebben ze TV gekeken? Neen, ze hebben geen TV gekeken.

Hebben jullie een zoon? Neen, we hebben geen zoon. Hebben jullie kinderen? Neen, we hebben geen kinderen.   (children)

Ik heb geen 20€.  Kareltje is nog geen 3 jaar oud. Brussel-Leuven? Dat is geen 30 km ver.



Learning Dutch in 1 week? That's possible!

Learning to deny using "niet"? 

Heb ik de trein gemist? Neen, ik heb de trein niet gemist. (train) (to mis, past perfect)

Heb jij het bier gedronken? Neen ik heb het bier niet gedronken.  (to drink, past perfect)

Zijn dat je broers? Neen, dat zijn mijn broers niet. (brothers)

Is dat Karin? Neen, Dat is Karin niet.

Woon jij in de stad? Neen ik woon niet in de stad, ik woon buiten. (city) (countryside)

Ga je naar de bioscoop? Neen ik ga niet naar de bioscoop. (cinema)

Het is tijd, kom uit je bad! Neen, ik kom niet uit mijn bad! (time) (bath)

Dat is niet mooi van je! (nice)

Zoiets gebeurt niet dikwijls. (to happen) (often)

6 uur is niet vroeg. (early)

Heb ik het gras gemaaid? Neen, ik heb het gras niet gemaaid. (grass) (to mow, past perfect)

Heeft zij de kranten gelezen? Neen, ze heeft de kranten niet gelezen.

Is Karin Jan zijn zus? Neen, Karin is Jan zijn zus niet, Lydie is zijn zus. (sister)

Is Jan  onze nieuwe inspecteur? Neen, Jan is onze nieuwe inspecteur niet.  (new inspector)

Zit Jan op de bus? Neen, Jan zit niet op de bus. (to sit) (bus)

Gaan jullie met vakantie? Neen, wij gaan niet met vakantie. (to go) (holidays)

Speelt haar broer met Jan? Neen, haar broer wil niet met Jan spelen. (to play)

Die resultaten zien er niet goed uit. (to look like) (good)

Het weer is niet slecht. (weather) (bad)

Hij vindt paella niet lekker. (to find) (tasty)


Learning Dutch in 1 week? That's possible!

Dutch grammar for foreigners NT2, learning regular past perfect (perfectum):

Werken = werk* + en  >  Ik heb ge + werk + t   (to work)              

Schaatsen = schaats* + en > Ik heb ge + schaats + t   (to skate)

Wachten = wacht* +en > ik heb ge + wacht  (to wait)

* de last letter of the stem is a sharp consonant cfr: 't k o f s ch i p

Wandelen = wandel +en  >  Je hebt ge + wandel + d


We hebben gisterenmorgen hard gewerkt.        

Vroeger heb ik veel geschaatst.

Mijn man heeft me een weekendje Praag beloofd.  (to promess)

We hebben tijdens de vakantie veel in de bergen gewandeld.  (to walk)

Gisteren heeft mijn man het eten gemaakt. Hij heeft lekker gekookt.  (yesterday, diner, to cook)

We hebben in de regen op de bus gewacht.  (rain)


Learning Dutch in 1 week? That's possible!

Learning the perfectum of verb with an unstressed prefix be-, ver-, her-, of ont-.

Betalen = be + ta(a)l + en >  Ik heb be + taal + d    Ik heb gisteren het etentje betaald.  (to pay)

Vertellen = ver + tell + en  >  Ik heb ver + tel + Je hebt vanavond je kinderen een verhaaltje verteld. Heb je ze zondag ook een sprookje verteld?  (story, to tell)

Herhalen = her + ha(a)l + en  >  Ik heb her + haal + d   Zij heeft haar lessen goed herhaald.  (lessons, to revise)

Ontmoeten = ont + moet + en  >  Ik heb ont + moet   Wij hebben vorige maand haar ouders ontmoet.  (last month, parents, to meet)


Learning Dutch in 1 week? That's possible!

Essential Dutch grammar. Talking about past events :  learning past perfect of most frequent irregular verbs:

Watch! The usual auxiliary verb is 'hebben' but learn when do you use 'zijn'!


Hebben: Ik heb tot 4 uur les gehad.

Drinken: Ik heb vrijdag teveel gedronken. (to drink)

Doen: Wat heb je tijdens je vakantie gedaan? (to do)

Lezen: Hebt u dat artikel ook gelezen? (to read)

Eten: Hij heeft op restaurant geen vlees of vis gegeten. (to eat)

Kopen: Zij heeft voor haar vriend een leuk boek gekocht. (to buy)

Schrijven: We hebben uit Lissabon naar heel de familie kaartjes geschreven. (to write)

Kijken: Jullie hebben tot laat in de nacht televisie gekeken. (to watch)

Zien: Zij hebben niets gehoord en niets gezien. (to ear, to see)

Vinden: Ik heb mijn sleutels niet gevonden. (to find)

Nemen: Je hebt dus tram 5 genomen? (to take)

Krijgen: Het heeft voor zijn verjaardag geen pop gekregen. (to get)

Laten: Je hebt je laptop hier gelaten. (to let)

Weten: Maar, dat heb ik nooit geweten! (to know)

Zijn: Ik ben tijdens het weekend naar Leuven geweest.

Blijven: We zijn dit weekend niet thuis gebleven. (to stay)

Komen: Ik ben door die opstopping te laat gekomen. (to come)

Gaan: Om 4 uur zijn ze gegaan. (to go)

Vertrekken: Ook jan is dan vertrokken. (to leave)

Rijden: Ben je niet met de fiets naar Leuven gereden? (to drive)

Veranderen: Onze oudste dochter is erg veranderd. (to change)

Worden: De kinderen zijn groot geworden. (to grow up)

Vallen: Jan is niet van zijn fiets gevallen. (to fall)

Vergeten: Ik ben mijn handtas niet op kantoor vergeten. (to forget)

Sterven: Opa is op zijn 85ste gestorven. (to die)

Geboren (worden): Joris is om 4 uur ‘s morgens geboren. (to be born)


Learning Dutch in 1 week? That's possible!

Online Dutch grammar: Usually adjectives get an 'e', when not?

De drukke straat. Die straat is een drukke straat. Die straat is druk. (bussy street)

Het drukke plein. Dat plein is een druk plein. Dat plein is druk. (square)

De grote jongen. Die jongen is een grote jongen. Die jongen is groot. (tall boy)

Het grote meisje. Dat meisje is een groot meisje. Dat meisje is klein. (girl)

De voorbije week. Voorbije week was een drukke week. Die week was druk. (past week)

Het voorbije jaar. Voorbije jaar was een druk jaar. Dat jaar was druk. (year)

 

Die pleinen zijn drukke pleinen. Die meisjes zijn grote meisjes. Die jaren waren drukke jaren.

Learning Dutch in 1 week? That's possible!

Concise Dutch grammar: modal verbs, which verbs need an infinitive at the end of your sentence?

gaan (to go)

Ik ga morgen met mijn vrouw winkelen. (to shop)

Jij gaat een goed boek lezen. (to read)

Lies gaat in de bar een pintje drinken. (to drink)


Om 10u ’s avonds gaan we slapen. (to sleep)

Gaan jullie vanavond bij de Griek eten? (tonight)

Ze gaan volgend jaar in Amerika wandelen. (to walk)

 

kunnen (to be able to)

Ik kan niet goed zwemmen. (to swim)

Dus, je kan morgen niet komen? (to come)

Jan kan er overmorgen ook niet zijn. (to be)


We kunnen die vergadering beter uitstellen. (to postpone)

Daar kunnen jullie niet doen. (to do)

Jullie kunnen in de gastenkamer overnachten. (to overnight)


moeten (to must, to have to)

Ik moet morgen om 5 uur opstaan. (to get up)

Moet je echt al zo vroeg vertrekken? (to leave)

Zij moet meer haar best doen. (to do)


We moeten het diner betalen. (to pay)

Jullie moeten jullie lessen herhalen. (to revise)

Zij moeten daarover niet zo druk doen. (to do)

mogen (to may, to be alowed to)

Ik mag van de dokter geen alcohol drinken. (to drink)

Je mag niet over het Belgische weer  klagen. (to complain)

Hij mag van zijn vrouw niet alleen uitgaan. (to go out)


We mogen van geluk spreken. (to speak)

Jullie mogen bij tante Truus logeren. (to lodge)

Ze mogen nog maar 3 keer proberen. (to try)



willen (to want)

Ik wil dat dossier nog snel afwerken. (to finish)

Wil je dat probleem even voor mij oplossen? (to solve)

Zij wil met babysitten meer zakgeld verdienen. (to earn)


We willen meer thuis werken. (to work)

Willen jullie het rustiger aan doen? (to do)

De kinderen willen walkietalkies kopen. (to buy)

zullen (going to)

Zal ik dat even voor je klaren? (to clear)

Zal je echt naar Nieuw-Zeeland verhuizen? (to move)

Jan zal je aan het station oppikken. (to pick up)


Zullen we in de stad gaan winkelen? (to shop)

Jullie zullen niets vertellen! (to tell)

Zij zullen naar Brussel verhuizen.  (to move)


Learning Dutch in 1 week? That's possible!

Word order in Dutch sentences.

Where comes the conjugated verb?

When is it first?

Where do you put the subject?

What part of the verb would come at the end of the sentence?

Karel gaat volgende week met vakantie.

Volgende week gaat Karel met vakantie.

De kinderen logeren volgende week bij hun vriendjes.

Volgende week logeren de kinderen bij hun vriendjes.

Vroeger heb ik veel op de grachten  geschaatst.

Je hebt vanavond je kinderen een mooi verhaaltje verteld.

Zij heeft vrijdag veel teveel wijn  gedronken.

Wat hebben jullie tijdens de zomervakantie gedaan?

We hebben tijdens onze zomervakantie boeken gelezen.

Volgend jaar gaan ze in het Rotsgebergte in Amerika bergwandelen.

Jan kan er overmorgen ook niet zijn.

Waar kan hij overmorgen niet zijn?

Moet je echt al zo vroeg 's morgens vertrekken?

Willen jullie het rustiger aan doen?