Learning
Dutch
grammar, the essentials part 2
site map
Learn
the
essentials of our Dutch grammar here (NT2).
This online Dutch grammar
shows you our grammar in examples. Seeing the structure of Dutch
sentences makes learning it more easy.
That's why you won't find
rules here. Learning grammar rules to learn Dutch (or any other
languages) is contra productive.
Your brain is functioning by
creative non satisfaction. You can trust it. That's the way it
grasps and learns.
That's the way you learned
your mother tongue. Learning by full immersion Dutch uses that
natural way, it's the fastest way .
|
contact Richard
or call +32 60 456 497
|
|
|
|
|
 |
|
|
Learning Dutch
grammar online, the essentials an overview: |
Online concise Dutch grammar part 1,
learn articles,
pronouns, conjugation, prepositions, basic Dutch sentence
structure,
Online concise Dutch grammar part 2, learning negation,
past tense, auxiliary verbs,
adjectives, ...
Online concise Dutch grammar part 3,
learn how to split splitable verbs correctly, 'er',
imperfect past, replacing subject and object by pronouns,
...
Dutch sentence structure
(syntaxis),
learn to put verb, direct and indirect object, information
on time manner and place, ... on the right place.
|
|
|
To help you become aware
of some important differences in sentence structure compared to
English, I translated most sentences more literally in 'odd'
English. |
|
|
 |
Dutch grammar by
examples
: learning to deny using 'geen' ?
Heb je
een bedrijfswagen? Neen, ik
heb geen bedrijfswagen.
Hebben jullie bedrijfswagens? Nee, wij hebben
geen bedrijfswagens.
(company car)
Heb je
een huis gevonden? Neen, ik
heb geen
huis gevonden.
(house)
Hebt u
een Duitse krant? Neen, wij
hebben geen Duitse krant.
Hebt u Duitse kranten? Neen, wij hebben
geen
Duitse kranten.
(newspapers)
Hebt u appelen? Neen,
we hebben geen
appelen.
(apples)
Is er bier? Neen, er
is geen
bier.
(beer)
Hebben ze TV gekeken?
Neen, ze hebben geen
TV gekeken.
Hebben jullie
een zoon? Neen, we hebben
geen zoon. Hebben jullie
kinderen? Neen, we hebben geen
kinderen.
(children)
Ik heb
geen
20€. Kareltje is nog
geen 3 jaar oud.
Brussel-Leuven? Dat is geen
30 km ver. |
|
Learning
to deny using "niet"?
|
Heb ik
de trein gemist? Neen, ik
heb de trein
niet
gemist.
(train) (to mis, past perfect)
Heb jij
het bier gedronken? Neen ik
heb het bier
niet gedronken.
(to drink, past perfect) |
Heb ik
het gras gemaaid? Neen, ik
heb het gras
niet gemaaid.
(grass) (to mow, past perfect)
Heeft zij
de kranten gelezen? Neen,
ze heeft de kranten
niet gelezen. |
|
Zijn dat
je broers? Neen, dat zijn
mijn broers niet.
(brothers)
Is dat
Karin? Neen, Dat is Karin
niet. |
Is Karin Jan
zijn zus? Neen, Karin is
Jan zijn zus
niet, Lydie is zijn zus.
(sister)
Is Jan
onze nieuwe inspecteur?
Neen, Jan is onze nieuwe
inspecteur niet.
(new inspector) |
|
|
|
|
Woon jij
in de stad? Neen ik woon
niet
in de stad, ik woon op het land.
(city) (countryside)
Ga je
naar de bioscoop? Neen ik
ga niet
naar de bioscoop.
(cinema)
Het is tijd, kom
uit je bad! Neen, ik kom
niet
uit
mijn bad!
(time) (bath) |
Zit Jan
op de bus? Neen, Jan zit
niet
op
de bus.
(to sit) (bus)
Gaan jullie
met vakantie? Neen, wij
gaan niet
met
vakantie.
(to go) (holidays)
Speelt haar broer
met Jan? Neen, Haar broer
wil niet
met
Jan spelen.
(to play) |
| |
|
|
Dat is
niet
mooi
van je!
(nice)
Zoiets gebeurt
niet
dikwijls.
(to happen) (often)
6 uur is
niet
vroeg.
(early) |
Die resultaten zien
er niet
goed
uit.
(to look like) (good)
Het weer is
niet
slecht.
(weather) (bad)
Hij vindt paella
niet
lekker.
(to find) (tasty) |
|
|
|
Dutch grammar for
foreigners NT2,
learning regular past perfect:
Werken =
werk* + en >
Ik
heb
ge + werk
+ t
; Schaatsen =
schaats* + en
> Ik heb
ge + schaats
+ t
;
Wachten = wacht*
+en > ik heb ge +
wacht.
(to work)
(to skate)
(to wait)
* de last letter of the
stem is a sharp consonant cfr:
't k o f s ch i
p
Wandelen =
wandel +en > Je hebt
ge
+ wandel +
d
We
hebben gisterenmorgen hard
gewerkt.
Vroeger
heb ik veel
geschaatst.
Mijn man
heeft me een weekendje
Praag beloofd.
(to promess)
We
hebben tijdens de vakantie
veel in de bergen gewandeld.
(to walk)
Gisteren
heeft mijn man het eten
gemaakt. Hij heeft lekker
gekookt.
(yesterday, diner, to cook)
We
hebben in de regen op de
bus gewacht.
(rain) |
 |
|
|
Learning the perfectum of
verb with an unstressed prefix
be-, ver-, her-, of ont-.
|
|
|
|
Betalen = be +
ta(a)l
+ en > Ik
heb be + taal
+ d |
Ik heb gisteren
het etent betaald.
(to pay) |
|
Vertellen = ver +
tell + en > Ik
heb
ver + tel +
d |
Je
hebt je kinderen een
verhaal verteld.
Heb je ze zondag ook een
verhaal verteld? (story,
to tell) |
|
Herhalen = her +
ha(a)l + en > Ik
heb
her + haal +
d |
Zij
heeft haar lessen goed
herhaald. (lessons,
to revise) |
|
Ontmoeten = ont +
moet + en > Ik
heb
ont + moet |
Wij
hebben vorige maand haar
ouders ontmoet. (last
month, parents, to meet) |
|
Essential Dutch grammar. Talking
about past events : learning past perfect of most frequent
irregular verbs:
Watch ! The usual auxiliary verb is 'hebben'
but learn when do you use 'zijn'!
|
 |
Hebben: Ik
heb tot 4 uur les
gehad.
Drinken: Ik
heb gisteren teveel
gedronken. (to
drink)
Doen: Wat
heb je tijdens je vakantie
gedaan? (to
do)
Lezen:
Hebt u dat artikel ook
gelezen?
(to read)
Eten: Hij
heeft op restaurant geen
vlees of vis gegeten. (to
eat)
Kopen: Zij
heeft voor haar vriend een
boek gekocht. (to
buy)
Schrijven: We
hebben uit Lissabon naar
heel de familie kaartjes
geschreven. (to write)
Kijken:
Jullie hebben aat televisie
gekeken. (to
watch)
Zien: Zij
hebben niets gehoord en
niets gezien. (to
ear, to see)
Vinden: Ik
heb mijn krant niet
gevonden. (to
find)
Nemen: Je
hebt dus tram 5
genomen? (to
take)
Krijgen: Het
heeft van zijn papa een
poes gekregen. (to
get)
Laten: Je
hebt je laptop hier
gelaten.
(to let)
Weten: Maar,
dat heb ik niet
geweten!
(to know) |
Zijn: Ik
ben tijdens het weekend
naar Leuven geweest.
Blijven: We
zijn dit weekend niet thuis
gebleven. (to
stay)
Komen: Ik
ben te laat
gekomen. (to
come)
Gaan: Om 4
uur zijn ze
gegaan. (to
go)
Vertrekken:
Ook jan is dan
vertrokken. (to
leave)
Rijden:
Ben je niet met de auto
naar Leuven gereden?
(to drive)
Veranderen:
Onze dochter is erg
veranderd. (to
change)
Worden: De
kinderen zijn groot
geworden. (to
grow up)
Vallen: Jan
is niet
gevallen. (to
fall)
Vergeten: Ik
ben mijn boek niet op
kantoor vergeten. (to
forget)
Sterven: Opa
is op zijn 85ste
gestorven. (to
die)
Geboren
: Joris is om 4 uur ‘s
morgens geboren. (to
be born) |
|
|
|
Online Dutch grammar: Usually adjectives get an 'e',
when not?
|
De drukke straat.
Die straat is een
drukke straat.
Het drukke plein.
Dat plein is
een druk plein.
De grote jongen.
Die jongen is
een grote jongen.
Het grote meisje.
Dat meisje is
een groot meisje.
De voorbije week. Voorbije
week was een drukke
week.
Het voorbije jaar. Voorbije
jaar was een druk
jaar.
Die pleinen zijn drukke
pleinen. Die meisjes zijn grote meisjes. Die
jaren waren drukke jaren. |
Die straat is druk.
Dat plein is druk.
Die jongen is groot.
Dat meisje is klein.
Die week was druk.
Dat jaar was druk
|
(bussy
street)
(square)
(tall boy)
(girl)
(past week))
(year)
|
|
 |
|
|
 |
Concise Dutch
grammar: modal verbs, Which verbs need an infinitive at
the end of your sentence?
|
gaan (to
go)
Ik
ga morgen met
mijn vrouw winkelen. (to
shop)
Jij
gaat een goed
boek lezen. (to
read)
Lies
gaat in de bar
een cola drinken. (to
drink)
Om 22u
gaan
we slapen. (to
sleep)
Gaan jullie
vanavond
eten? (tonight)
Ze
gaan in Amerika
wandelen. (to walk) |
kunnen (to
be able to)
Ik
kan niet goed
zwemmen. (to
swim)
Dus, je
kan morgen niet
komen? (tomorrow)
Jan
kan daar morgen
niet
zijn. (to be)
We
kunnen het
examen
uitstellen. (to postpone)
Dat
kunnen julie
niet doen. (to
do)
Ze
kunnen thuis
overnachten. (to
overnight) |
moeten (to
must, to have to)
Ik
moet morgen om
5 uur opstaan. (to
get up)
Moet vanavond
vertrekken? (to leave)
Zij moet
meer haar best doen.
(to do)
We
moeten het
diner betalen. (to
pay)
Jullie
moeten jullie
lessen herhalen. (to
revise)
Zij
moeten daarover
niet zo druk doen.
(to do) |
|
|
|
mogen
(to may, to be alowed to)
Ik
mag geen alcohol
drinken. (to drink)
Je
mag niet over het weer
klagen. (to complain)Hij
mag niet
uitgaan. (to
go out)
We
mogen over jongens
spreken. (to speak)
Jullie
mogen bij tante Truus
logeren. (to lodge)
Ze
mogen de nieuwe auto
proberen. (to try)
|
willen
(to want)
Ik
wil dat dossier
afwerken. (to
finish)
Wil je dat probleem
oplossen? (to solve)
Zij
wil met babysitten geld
verdienen. (to earn)
We
willen meer thuis
werken. (to
work)
Willen jullie het rustiger
aan doen? (to do)
De kinderen
willen walkietalkies
kopen. (to buy)
|
zullen (going to)
Zal ik dat voor je
klaren? (to
clear)
Zal je naar Nieuw-Zeeland
verhuizen? (to move)
Jan
zal je aan het station
oppikken. (to pick up)
Zullen we in de stad gaan
winkelen? (to shop)
Jullie
zullen niets
vertellen! (to
tell)
Zij
zullen naar Brussel
verhuizen. (to
move)
|
 |
|
| |
Word order in Dutch
sentences.
Where comes the
conjugated verb?
When is it first?
Where do you put the
subject?
What part of the
verb would come at the end of the sentence?
Karel
gaat
volgende week met vakantie.
Volgende week
gaat
Karel met
vakantie.
De kinderen
logeren
volgende week bij hun vriendjes.
Volgende week
logeren
de kinderen
bij hun vriendjes. |
 |
Voorbije week
heb
ik veel op de grachten
geschaatst.
Je
hebt vanavond je kinderen
een mooi verhaaltje verteld
Zij
heeft vrijdag veel wijn
gedronken.
Wat
hebben
jullie tijdens de
zomervakantie
gedaan?
We
hebben tijdens onze zomervakantie boeken
gelezen.
Volgend jaar
gaan
ze in Amerika wandelen.
Jan
kan hier morgen ook niet
zijn.
Waar
kan
hij morgen niet zijn?
Moet
je morgen zo vroeg
vertrekken?
Willen
jullie op restaurant
gaan eten? |
|
| |
|
|
|
articles, pronouns,
conjugation, prepositions,
|
negation, past tense, auxiliary verbs, adjectives, ..
|
splitable verbs, 'er', imperfect
past, subject object pronouns, ...
|
Normal Dutch sentence structure
and subordinate clause
|
|
| |
legal info
responsible editor: Richard van Egdom, Celestijnenlaan 7, 3001
Heverlee
other websites:
On www.apprendre-le-neerlandais.com
your French-speaking
boss, colleague, friends and partners can read all about our full
immersion Dutch courses in French.
Your German
friends, partners, bosses or colleagues can read all they want to
know about our intensive private Dutch courses in German on
www.sprachkursniederlaendisch.de
All information
in Dutch on these most efficient full immersion private Dutch
classes with Richard van Egdom are on
www.leernederlands.com
sitemap |
|
These most efficient Dutch courses, according to
The Wall Street Journal one of the best language courses are
organized by Vriendenkring Amitie Europeenne a non profit
organization in franchise of DialoguE sprl. We use the money earned
with these most efficient full immersion Dutch courses to finance
our goals: inter-European contact and understanding.
Our small is beautiful non profit organization
also has websites on family holidays, trail description, hiking,
mountain retreat and sabbatical leave in the Pyrenees
Mountains
www.pyrenees-pireneos.org
(mostly in English). Same information but with a full 2-weeks trail
detailed description of a Pyrenean High Level (HRP) Trail, family
holidays and mountain retreat in French is on
www.pyrenees.be
Information in Dutch on European encounter family
holidays in the Pyrenees can be found on
www.pyrenees-pyreneeen.be
|
|
| |